Ik heb ooit een reeks van twintig middeleeuwse detectives vertaald, de Cadfael-kronieken van Ellis Peters. Een van de leuke kanten daarvan was, dat je er allerlei allang in onbruik geraakte woorden in tegenkwam, waarvan je wel de betekenis kon achterhalen, maar niet het exacte Nederlandse equivalent.

Zo stuitte ik een keer op het woord ‘the butts’. Ik was het al vaker tegengekomen en dan betekende het altijd ‘de doelen’, in de betekenis van de plaats waar boogschutters oefenen. Maar dat kon het in deze (vage) context niet zijn.

Wat gezoek in Engelse en Engels-Nederlandse woordenboeken leverde niks op en dus zette ik voorlopig maar wat vraagtekens, in de hoop dat de betekenis verderop wat duidelijker zou worden.

En jawel, drie bladzijden verder waren ze nog steeds op ‘the butts’ bezig (het zijn héél bedachtzaam geschreven verhalen), maar nu bleek dat ze die met spaden aan het bewerken waren. Opnieuw naar het verklarend woordenboek en jawel, ‘the butts’ is ook dat deel van een akker dat met de hand moet worden omgespit omdat paard, ploeger en ploeg daar moeten keren.

Dát begrip was ik al vaker tegengekomen, maar toen had de schrijfster het steeds ‘headland’ genoemd, wat ik vertaald had met ‘wendakker’. Ze zou, nam ik aan, wel een reden hebben om het nu anders te noemen en ik vond dat ik dat dan ook moest doen. Maar hoe?

Op dat moment schoot me de naam van de dichter Rutger Kopland te binnen. Was kopland, dat letterlijk naar het Engels vertaald immers ‘headland’ oplevert, misschien een ander woord voor wendakker? Nee, zei de Dikke Van Dale, ik ken het niet eens. Maar wacht eens, Rutger Kopland is het pseudoniem van Rudi van den Hoofdakker (kop-land <----> hoofd-akker).

Zou het woord hoofdakker dan misschien bestaan? Opnieuw zei de Dikke dat ie het niet kende, hoewel je toch mag aannemen dat zo'n eigennaam niet uit de lucht is komen vallen. Nog één poging dan: een samentrekking van die twee woorden: kopakker. En tadaaa!!, dát woord stond in Van Dale en het betekende precies wat ik zocht.

Iets soortgelijks overkwam me met ‘glebe’, dat volgens alle vertaalwoordenboeken ‘pastorieland’ betekent, een stuk grond waarvan de opbrengst voor de pastoor bestemd is. Totdat ik ergens door de Kempische landouwen reed en de straatnaam ‘Papenakkers’ zag staan. Dát is het natuurlijk... papenakker, in plaats van dat bijna Lubberiaanse pastorieland. Helaas ben ik het woord ‘glebe’ sindsdien niet meer tegengekomen. 

 

Zie hieronder mijn "Middeleeuws Woordenboek" ; voor pdf-formaat: http://meray.123website.nl/391744535

abacus = dekplaat, abacus
abbatia = abtshuis
ablution = rituele wassing, ablutie
abt Heribert = voorganger Radulfus (’38 - kerst ’39)
abt Radulfus = abt vanaf kerstmis ’39
acre = morgen, akker
adder’s tongue = addertong, slangebeet
advance party = voorhoede
advowson = recht van benoeming, collatierecht
adze = dissel, houw, hak
aftergrowth = nagewas
aftermath = nagras, etgroen; nasleep
aisle = middenpad
aisle = zijbeuk
Alberic of Ostia = Albericus van Ostia
alderman = schepen
ale-house = bierhuis; herberg
ale-stake = bierstok
alkanet = alkannawortel
All Saints = Allerheiligen
allegiance = leenmanstrouw
almsbox = offerblok
altar-cloth = (altaar)dwaal
altar lamp = godslamp
anemone = windbloem
angelica water = engelwortelolie
angelica root = engelwortel
anteroom = voorkamer
antiphone = beurtzang, tegenzang
ap (Welsh) = zoon van
apothecary = apotheker, artsenijbereider
apple squire = pooier
application = papje, smeerseltje, zalfje
arbalest = voetboog
arbelist = zie arbalest
arblast = zie arbalest
archangel = (grote) engelwortel
archdeacon = aartsdiaken
armarium = boekenkamer of -kast
armorial bearing = wapenbeeld
armoury = tuighuis
arras = wandtapijt; vensterkleed
ashlar = arduin(-steen)
assart = rooiland
Assasins = Assassijnen
assize = rechtszitting, geding
atabeg = atabeg (Seldjoeks gouverneur van een minderjarige prins)
atrium = voorhal, atrium
aumbry (ambry) = spinde, muurkastje
austerity = zelfkastijding, versterving
awning = dekzeil; luifel, scherm
bailey = binnenhof; vestingmuur
baileywick: zie bailiwick
bailiff = drost; baljuw; baljuw
bailiwick = baljuwschap; domein
baldric = bandelier
banker = plankier
baptismal font = doopvont
barbican = buitenwerk, (dubbele) vestingtoren
barge = schuit, praam, aak; barkas
baron = baron, (leen)heer
barrel-stave = duig
basil = basilicum
battering-ram = stormram
battlement = tinne, trans, kanteel
bawd = hoer
bay = vos(kleurig paard); laurier
beadle = bode; bode
beaver hat = vilthoed
beech-mast = beukemast
bell clerk = klokkeluider
belladonna = wolfskers
betony = betonie
billhook = kapmes
bird of passage = trekvogel (ook voor mensen)
bitter herb = bitterkruid
black-jack = leren kroes; kroes
blade = kling
blaze = bles
bliaut = korte tuniek, bliaud; bliaud
block = beulsblok
Blood Book = Verwantschapsboek
boat-mill = bootmolen (molen om vlas te braken)
boatman = schuitevoerder
bodice = (keurs)lijf
bog-trotter = moerasbewoner
bolster = peluw
Book of Hours = getijdenboek
boot = Spaanse laars (folterwerktuig)
borage = bernagie
border shire = markizaat
borough = stad, stedelijke gemeente
boss = bossage
bower = zie garden bower
box hedge = bukshaag
bracken = (adelaars)varen
bracket = klamp; steun; kraagsteen
braid = trens
brand = toorts
brattice = borstwering
bread-cage = broodkorf
breast-brother = zoogbroer
breech = kniebroek
breviary = kerkboek
broadsheet = vlugschrift
broeder Albin = poortwachter
broeder Anselm = voorzanger
broeder Benedict = koster
broeder Bernard = imker
broeder Denis = gastenbroeder
broeder Edmund = ziekenbroeder (broeder verpleger)
broeder Herluin = onderprior van Ramsey
broeder Jerome = schrijver van Robert Pennant
broeder Mark = hulp Cadfael, later hulp in gasthuis, nog later broeder en diaken
broeder Matthew = keldermeester
broeder Oswald = aalmoezenier; ook zilversmid
broeder Oswin = hulp Cadfael (opvolger van Mark); later hulp in broedergasthuis
broeder Paul = novicenmeester
broeder Petrus = kok van de abt
broeder Richard = onderprior
broeder Vitalis = kapelaan en schrijver van abt Radulfus
broom = brem, bezemkruid
broom-bush = bremstruik
brother porter = broeder poortwachter
brother by marriage = behuwdbroer
brow-band = frondeel (o)
brush hovel = loofhut
brushwood = rijshout
brychan (Welsh) = brychan (paardedeken); ook: brits
bryony = heggerank
bucket = puts, putemmer
buckler = beukelaar (= klein schild)
buckwheat = boekweit
bugel = jachthoorn
bugloss = ossetong; slangekruid, wolfschijn
burgage = pacht van stedelijk leen; stadsleen
burgess = poorter
burghmote = stadsplein
bushel = schepel
business = nering
buskin = broos, kuitlaars
butcher = beenhouwer
butler, master-~ = keldermeester
butt = ton, kuip, vat; stronk
buttery = wijnkelder; voorraadkamer; voorraadkamer
butts = doelen (voor boogschieten) ook: kopakker
by-blow = bastaard
byre = koe(ie)stal
cage = vuurkorf
calamine = kalamijn
calamus = kalmoes
Calendar of Saints = heiligenkalender
callywag = schavuit
caltrop = voetangel
cambric = Kamerijks linnen; Kamerijks linnen
came = loodlijst, loden glaslijst
camp follower = marketentster
canon = kanunnik
canonry = kanunnikdij
Canterbury bells = grasklokjes
cantref (Welsh) = honderdschap (letterlijk: honderd gehuchten)
cap = kaproen
captain = hopman
carapace = schild, pantser
carrel = nis
carter = voerman
carucate = oppervlaktemaat (ook: hide)
cask = fust
cassock = toog, soutane
castellan = kastelein
Castle Foregate = Kasteelvoorstraat
catamite = schandknaap
cell = dochterklooster; kluis
cellarer = keldermeester, kellenaar
centaury = duizendguldenkruid
centring = formeel (o.)
chaffer = loven en bieden
chain mail: zie chain armour
chain armour = maliënkolder, pantserhemd
chamber = raadkamer
chamberlain = kamerling
chancery priest = koorheer
chancery screen, chancel screen = koorhek
Chancery = Kanselarij
chantry mass = zielemis
chantry chapel = stiftskapel
chaplet = lauwerkrans
chapter = kapittel
chapter-house = kapittelzaal (capitulum); kapittelzaal
charcoal hearth = (kolen)meiler
charcoal-burner = kolenbrander
charter house = kartuizer klooster
charter town = vrijstad
chausses = hozen
chervil = kervel
chevet = koorafsluiting, chevet; koorafscheiding
chickweed = muur
chief alderman = eerste schepen
church warden = kerkmeester
cinnamon cassia = pijpkassia
cinquefoil = vijfvingerkruid, vijfblad
Circumcision of Our Lord = Besnijdenis des Heren
citole = citer
clas (Welsh) = kloostergemeenschap onder een abt en met minstens één priester
claustrum = kloostergang
cleaver = kleefkruid
Clee Forest = Clee Woud
clerestory = lichtbeuk
clerk = schrijver; klerk
cloister = kloosterhof (= kloostergaarde)
cloister garth = kloostergaarde (= kloosterhof)
close = slop, beluik
close of the market = het scheiden van de markt
cloth = geestelijkheid, clerus, clergé
cloth merchant = lakenkoopman
clothier = lakenkoopman; snijder, kleermaker
clove = kruidnagel
clove-pink = (tuin)anjelier
coat = overkleed, bovenkleed, mantel, rok
cob = ket; ket, ked, kid, kidde
cobbled street = kasseistraat
cobbler = schoenlapper
coch = rood
codpiece = broekklep
coffer = brandkist
cog = kog(geschip)
coif = kap, mutsje, huif, coiffe; huif
collations = collatie
collection box = offerblok
collegiate church = kapittelkerk; collegiaalkerk
collegium = collegium
colours = vaandel, standaard
coltsfoot = klein hoefblad
columbine = akelei
comfrey = smeerwortel
commissioner = gevolmachtigde
common room = gemeenschapszaal
common land = meentgrond
common of the saints = gemeenschappelijke der heiligen
common(s) = meent
commote = kanton (onderdeel van ‘cantref’)
concoction = brouwsel
conduit = duiker
constable = slotvoogd; constabel; slotvoogd
constant lamp = godslamp
contortionist = slangemens
conventual ale = kloosterbier
conversi = (verblijf van de) lekebroeders
cook shop = eethuis; eethuis
cooper = kuiper
cope = koorkap
coppice = akkermaalsbos
coppice (to) = kappen; uitstoelen
copse = hakhout
copy = afschrijven
copyist = afschrijver
coquina = keuken
coracle = jol
corbel = kraagsteen
cordial = kruidenbitter; hartversterkend middel
cordwood = vademhout
cornemuse = cornemuse, doedelzak
cornice = kroonlijst, deklijst, kornis
Corporation = gemeenteraad
Corpus Christi = Driekoningen
corrack = rakel
corsair = Barbarijse zeerover
coster = straatventer
cot = stulp; veldbed; (schaaps)kooi
cot-bed = veldbed
cote hardie = cotardie
cottager = landarbeider; dorpeling; landarbeider
cottar = pachter
cotte = onderkleed, wambuis
coulter = kouter
council = schepenen
councillor = schepen; raadslid
count = niet-Engelse graaf
counterpane = beddesprei
counting-house = rekenkamer
country gathering = landdag
countryman = ommelander
Court of Chancery = Kanselarijhof
Court of Probate = Hof voor Erfrecht
Court of Requests = Hof van Beroep
Court of Common Pleas = Gerechtshof voor Civiele Zaken
Court of King’s Bench = Hooggerechtshof
Court of Petty Sessions = kantongerecht
courtier = hoveling
courtyard = binnenhof
covert = akkermaalshout, kreupelhout; schuilplaats, dekking
cowl = kaproen; kaproen
cowman = koewachter
cowslip = sleutelbloem
cramp = muuranker
creance = langveter
cresset = flambouw
crest = helmbos, vederbos
crocket = versiering in de vorm van een gekruld blad
crosier = zie crozier
crossing = viering, kruising (van hoofd- en dwarsbeuk); viering
crossyard = kraaienest
crow(bar) = handspaak; koevoet
crowfood = waterranonkel
crown tenancy = kroongoed
crozier = kromstaf, bisschopsstaf
cruet = ampul
crwth (Welsh) = klein snaarinstrument, bespeeld met een boog
cull = uitschot; afschieten (van verzwakt wild)
culverin = veldslang (kanon met lange loop)
cumin = komijn
cupboard = schotelrek
curate = kapelaan
cure = standplaats, priesterambt
currier = (roskammer)
cursitor = kanselarijklerk
curtain wall = gordijn(muur); gordijnmuur
custodian = koster
Custom House = tolhuis
customary service = herendienst
dainty = toegift,toespijs
dairy = melkerij
dais = verhoog, verhoging
daisy = madelief(je)
dapple = appelschimmel
dart = werpschicht
dawn mass = dageraadsmis
dead-boat = dodenschuit
death house = lijkenhuis
debauch = slemp-, braspartij; orgie
decoction = afkooksel
dell = valleitje
demesne = landgoed, buiten, grondbezit
deputy sheriff = onderschout (Hugh Beringar, later Alan Herbert)
desert father = woestijnvader
destrier = (strijd)ros
dilapidation = bouwval; krot; puin
dill = dille
dip = getrokken (vet)kaars
dirk = ponjaard; ponjaard
distaff = spinrokken
distain = rentmeester
ditcher = slotengraver
dittany = essekruid, vuurwerkplant
dock = staartwortel
doctor = heelmeester(es)
domestic = huisknecht
dormitorium = slaapzaal, dormter
doublet = wambuis, vest; wambuis
doucette = snoepgoed
dowager = douarière, adellijke weduwe
dowel = (klink)bout
dower = weduwgeld, weduwgift
dowry = bruidsschat
doxy = lichtekooi
draper = drapenier
draught = drankje
draw-knife = haalmes
dray = sleperswagen
dressing = kompres
drove road = drift, veepad
duke = hertog
dung-collector = mestraper (beersteker)
dunt = oplawaai
dwelling = woonst(ee)
dye-house = ververij
earl = Engelse graaf
early apple = oogstappel
early-morning mass = vroegmis
eaves = dakrand, boeiboorden
edling = officiële, door een prins aangewezen erfgenaam
elevation = opstand
elixir = aftreksel
embrasure = schietgat, neg(ge)
Emmanuel = schrijver van abt Heribert
enclosure = klooster
escarpement = binnentalud, binnengrachtsboord
escutcheon = wapenschild
espringale = springaal
establishment = (troepen)sterkte
estate = landgoed, bezit; landgoed
eve = vigilie
ewer = (lampet)kan
Exchequer = financiële rechtbank
eyas = nesteling, nestvlak
eyrie = arendshorst
fardelol = last, vracht
farm-drudge = werkpaard, boerenknol, karhengst
farmstead = boerenhoeve, hofstede
farrier = hoefsmid
farthing = duit
fast courier = ijlbode
fastness = bastion, bolwerk, sterkte
father = pater, pastoor, kapelaan (tegen abt: vader)
father Cuthbert = pater Cuthbert
father Thomas = broeder Thomas
father general = generale overste (van jezuïeten)
fathers of the boro(u)gh = vroede vaderen
Fatimids of Egypt = de Egyptische Fatimiden
fawr (Welsh) = groot
fealty = leeneed
fee-farm = erfpachtboerderij
fennel = venkel
feoff = zie fief
feudal tenant = leenman
fiddle = vedel, fiedel
fief = leen, leengoed
figwort = helmkruid
fillet = haarband, hoofdband
fire shovel = vuurschop
fireplace = schouw; stookplaats; open haard
fishery = visrecht; visgrond
flagon = (schenk)kan; kan
flayer = vilder; beul
fleece = vlies, schapevacht
fleecer = (schape)scheerder
fleur-de-luce = lisbloem
flint = vuursteen
flood meadow = vloeiweide
fluted = gecanneleerd
foist = bedrieger
foistler = zwendelaar
Foregate = Voorstraat
forelock = voorlok
forge = smidse
foundation = stift
fox-stones = knolvossestaart
foxglove = vingerhoedskruid; vingerhoedskruid
frame = horde
franklin = eigenerfde
frater = eetzaal (zie refectorium)
free folk = vrijen
freeman = vrije
French block = kaak, schandpaal
friars minoresses = clarissen
frock = kiel
frond = fronton, frontispice
fulling-trough = volkuip
fulling-works = volderij
furlong = bunder (furlong = 201m)
furrowboard = rister
fustian = fustijn; fustijn
fychan (Welsh) = minder; toegevoegd aan naam in de bet. van ‘jongere’
galilea = westelijk voorportaal
Galilee Gate = Galileapoort
Galilee Walk = Galileapad
gallery = gaanderij
gallon = 9 pinten
gaol fever = vlektyfus
garden bower = prieel
gardener = gaardenier, hovenier
garron = garran = werkpaard
garth = gaarde
gate-tower = poorttoren
gatehouse = poorthuis, poortgebouw
gathering = katern
gelding = ruin
gentry = lagere adel
ghoul = demon
ginger = gember(kruid)
gittern = citola
glade = open plek, loo, laar
glean = arenlezen
glebe = papenakker, pastorieland
goad = prikstok, prikkel
goblet = bokaal
goch (Welsh) = zie coch
goodman = huisvader; waarde heer; meester
goods and gear = have en goed
goose-grass unguent = kleefkruidzalf
goose-grass = kleefkruid, walstro
gore = geerakker
gorse-bushes = steekbrem; gaspeldoorn
gossip = (ook) kornuiten
gout = jicht
gown = tabbaard; gewaad, kleed; tabbaard
grace house = godshuis
grange = uithof; grangium; landhuis; schuur
grazing = grasetting
great court = binnenplaats
green = brink
groat = vierstuiverstuk
gromwell = parelzaad
groom = stalknecht
ground-ivy = hondsdraf
groundsel = kruipkruid
guardwalk = weergang
guest-house = gastenverblijf
guestship agreement = gastovereenkomst, pro(e)veniersovereenkomst
Guild Merchant = koopmansgilde
Guild of Palmers = Goochelaarsgilde
Guildhall = Guildhall; Guildhall; raadhuis
gule = keel (heraldiek)
gyve = beenijzer
haberdasher = handelaar in garen en band
habit = pij, habijt
hack = knol; rijpaard
hag = toverfeeks, toverheks, feeks, heks
Hainaut = Henegouwen
hammer-beam = steekbalk
hanaper = mand
harebell = grasklokje
harness = tuig
harridan from hell = helleveeg
harridan = feeks
hatchery = (vis)kwekerij
hatchet = hakmes
hauberk = maliënkolder; kolder
hawker = marskramer
hawthorn = haagdoorn
head race = bovenbeek
headland = wendakker (zie main butt)
hearth = haardstede
heartwood = kernhout, harthout
hedge priest = hageprediker
hemlock = dollekervel
henbane = bilzekruid
henchman = trawant
herb of grace = genadekruid, godsgenade, galkruid
herbalist = kruidenkenner; kruidengenezer
herbarium = kruidentuin; kruidenkamer
heriot = heergewaad (schatplicht aan landheer bij dood pachter)
high mass = hoogmis
high summoner = opperdeurwaarder
High Cross = Hoge Kruis
highway = straatweg
hind = (boeren)knecht
hob = kachelplaat
hobble = kluisteren
hocks = spronggewrichten
hoe = schoffel
hogget = éénjarig schaap
hog’s fat = reuzel
holding = pachtboerderij; landerij
holm = (uiter)waarde
holy oils = heilig oliesel
homestead = hoeve, hofstede
honour = leen(goed)
hood = huif (van non); muts; kap
hoodman blind = blindman’s buff = blindemannetje
horehound = malrove
horn = drinkhoorn
horse radish = mierik(swortel)
Horse Fair = Paardenmarkt
horse-litter = rosbaar
hospice = gastenverblijf (hospitium)
hospital = gasthuis; gasthuis
hospitaller = gastenbroeder
host = legerschaar, heerschaar, heerleger
hostelry = herberg; logement
hot house = badhuis
hound’s-tongue = hondstong
house of grace = proveniershuis
houseleek = huislook
hovel = krot, bouwval; hut
huckster = venter; venter
hundred = honderdschap (zie ‘cantref’)
husbandman = landman
husbandry = rentmeesterschap
hyssop = hysop
inch = duim
indulgence = aflaat; indult
infirmarer = ziekenbroeder, broeder verpleger
infirmarian = ziekenbroeder
infirmary = ziekenzaal (infirmaria)
infusion = aftreksel
inner ward = binnenplein
inquisitor = kettermeester
intermissum = tussengerecht, intermissum
intervention = voorspraak
iris = lis
ivy = klimmerkruid, klimop, boomveil, eiloof
jar = stopfles; kruik
jaundice = geelzucht
javelin = werpspies
jennet = genet
jerkin = buis; (wam)buis; wambuis
Jesus priest = jezuïet
jointer = rijschaaf, ploegschaaf
jongleur = minstreel, troubadour
journeyman = (handwerks-; ambachts)gezel
joust = steekspel
juggler = jongleur
junction = samenloop
junket = = roomkaas; wrongel
justiciar = opperstaatsraad
kalen = (boeren)kool
keep = slottoren, burchttoren, (hoofd)toren; slottoren
Keeper of the (Secret) Seal = (Geheim)Zegelbewaarder
Keeper of Secrets = Geheimraad
kennelman = kennelhouder
kern = voetknecht
kiln = pottenbakkers- of kalkoven; eest
kiln room = eestoven
king’s peace = koningsvrede
king’s highway = koningsbaan, koningsweg
kirtle = tuniek
kitchen garden = moestuin, groentetuin, kruidentuin
knave = kruimeldief
knell (death ~) = doodsklok
knight banneret = baanderheer; baanderheer
Knights of Saint John = Johanniters, Ridders van de heilige Johannes
ladle = pollepel, soeplepel
Lady Day = Maria-Boodschap; Onze Lieve Vrouw Boodschap
Lady Chapel = Mariakapel
lady = vrouwe
lammas prunes = kwetsen
lammas = oogstfeest (1 augustus)
landholder = pachtboer
landlord = herbergier
larder = voorraadkamer; provisiekamer
lavarium = wastafel
lavatorium = (ceremoniële) wasgelegenheid bij eetzaal
lawn = batist; batist
laystall = vuilnisbelt
lazar(-)house = lazaret
leafmould = bladaarde
leat = molentocht, molenvliet
leech = heelmeester; bloedzuiger; klaploper; arts
legatine council = legatieraad
legging = beenkap
library = boekerij
lich-gate = zie lych-gate
lichen = korstmos
liege lady = leenvrouwe
liegeman = leenman, vazal
lieutenant = stadhouder
Lincoln green = groen laken
linctus = hoeststroop
link boy = fakkeldrager
links of a chain mail = maliën van een pantserhemd
liripipe = punt van een hoofddeksel
list = strijdperk, toernooiveld
litter = draagkoets
livery company = livreigilde
living = prebende; beneficie
llyn (Welsh) = meer
llys (Welsh) = hof
loaf-mass = oogstmis
lodge = onderkomen
lodge = poortkamer
loft = hind
Long Forest = Lange Woud
longship = vikingschip
loom = weefgetouw
lord = heer; Lord
Lord Lieutenant = onderkoning
lordling = kleine lord; potentaat
Lords of the Congregation = Lords of the Congregation
lordship = leengoed; landgoed; heerlijkheid
lotion of pellitory = glaskruidwater
lotion = wondwater
lozenge = dropje, hoesttablet; ruitvorm; ruit (heraldiek)
lych-gate = kerkhofpoort
lye = potas
lye soap = potaszeep
mace = goedendag; foelie
machicolation = machicoulis, mesekouw (gat in torenomloop)
madam = vrouwe; madame
madder = meekrap
maenol (Welsh) = havezaat
maenol (Welsh) = ambachtshuis
magician = tovenaar; tovenaar
magnate = heerschap
maid = meid
main butt = kopakker (zie headland)
mallet = houten hamer
malmsey = malvezij
malting = mouterij
man-at-arms = wapenknecht
man-of-war = slagschip
manacle = kluister, handboei
manchet loaf = puntbroodje
mandrake = alruin, mandragora
manger = trog, krib(be), voerbak
mangon(el) = blijde; blijde
manor = havezaat; ambachtshuis; ambachtsheerlijkheid; ambachtsheerlijkheid; ambachtsheerlijkheid
manor-house = ambachtshuis
mansion = woonstee
march(es) = mark
marcher lord = markgraaf
marjoram = marjolein
marrow pudding = mergpudding
marsh mallow = witte malve, heemst
marshalsea = hofmaarschalksrechtbank; hofmaarschalksrechtbank
mascle = malie
master = meester; overste
master of the novices = novicenmeester
master of the guild = deken van het gilde
Master = meester
mattock = houweel
mawr (Welsh) = zie fawr
maying = meien; (bloemen plukken tijdens) de viering van het meifeest
meeting-house = bedehuis
mercer = zijdekoopman, -handelaar
merchet = bruidsschat; vrijkoopsom
merlin = steenvalk, dwergvalk, smelleken, smerlijn
merlon = kanteel, tin(ne)
messire = heer
messuage = huis met aanhorigheden
mew = havikskooi; stal; mesthok
mild nettle = dovenetel
milfoil = duizendblad
mill dam = molenstuw; molenkolk
mill leat = molentocht, molenvliet
mill race = zie (mill) leat
mill course = molenvliet
mill-yard = molenwerf
miller’s droop = molenaarsleuter
minster = domkerk; munster, kloosterkerk; kathedraal
minstrel = speelman, minstreel
mint = munt(kruid)
mistletoe = maretak
mistress = meesteres
moat = (vesting-, slot-, kasteel-)gracht
moneywort = penningkruid
monks’ loaf = monniksbrood
mosstrooper = vrijbuiter
motley = zotspak
motte = burchtheuvel
moulding = lofwerk
mountebank = rondtrekkend kwakzalver, kakadoris, piskijker, bedrieger, charlatan, oplichter
mounting-block = stijgblok
muck raker = mestraper
mulberry = moerbei(boom), moerbezie
mullein = koningskaars
mullion = raamstijl; verticale raamstijl
mummer = pantomimespeler; toneelspeler
murage = muurbelasting
mustard = mosterd
muster = wapenschouw
My Lady = My Lady
my lord = mijn heer; My Lord
nag = pony
nap = gauwdief
nasturtium = waterkers
nave = middenschip
necessarium = gemak (w.c.)
necromancer = dodenbezweerder
nettle = (brand)netel
neum = neum
nightjar = nachtspiegel
night stairs = nachttrap
night felons = nachtbrakers
night-hag = nachtfeeks
noviciorum cella = novicenverblijf
nurs(e)ling = voedsterling, voedsterkind, zoogkind
nurse = min, voedster
obedientary = gewone kloosterling onder het gezag van een abt
oblate = oblaat
Offa’s dyke = Offa’s dijk
office of the dead = uitvaartdienst, uitvaartmis
officer of the sheriff = rakker
officiate = celebreren, de mis opdragen, doen
oils = oliën
ointment = zalf
old road = heirbaan
oratory = (bid)kapel
orpine = vetkruid, hemelsleutel
ostler = stalknecht in herberg; stalknecht in herberg
our lady’s mantle = onzelievevrouwemantel
outer ward = voorplein
outer court = voorplein
outlaw = vogelvrije
overflow = overlaat
overlord = opperheer
ox-caller = ossedrijver
ox-wain = ossewagen
packman = marskramer
paddle palms = voetjevrijen
paddock = kraal
pageant = schouwspel, spektakel
pail = emmer
paladin = paladijn
palatinate = palts, palatinaat, paltsgraafschap
palatine = paltsgraaf; paltsgrafelijk
Pale of Dublin = de Engelse exclave Dublin
palfrey = hakkenei, telganger
pall = altaarkleed
pallet = strozak; brits
palmer = goochelaar
panniers = tas
pannikin = kroes; pannetje
panoply = volledige wapenrustig, panoplie; vol ornaat; vertoon
pantry = voorraadkamer, bijkeuken; voorraadkast
paramour = minnaar
pardoner = aflaatkramer
parlour = gastenkamer, spreekkamer; ontvangkamer
parsley = peterselie
paten = pateen
patis flora = rijstgras
patten = muilen, trippen
pavage = straatbelasting
peace officer = ordehandhaver
peat water = veenwater
peat-hag = laagveen; afgegraven veengrond
peatmoss = veenmos; veen/turfgrond;
pedlar = marskramer, leurder
pedlar = marskramer
pelisse = lange cape
pellitory dressing = glaskruidkompres
pennant = zie pennon
pennon = (lans)wimpel, vaandel, vaan, pennoen
penny = duit; stuiver
pensioner = provenier
penteulu (Welsh) = hopman van prinselijke lijfwacht
peony = pioen
periwinkle = maagdenpalm
pestle = stamper (van vijzel)
pewterer = tinnegieter
phalanx = legerschaar
philtre = minnedrank; toverdrank
physician = geneesheer; geneesheer, geneesvrouwe
pickpocket = beurzensnijder
piebald = gevlekt paard
pier = penant
pike = piek
pillion = zadelkussen (achter het zadel, voor tweede ruiter)
pillory = schandblok, kaak
pimpernel = guichelheil
plantain = weegbree
plate = vaatwerk
pole = bomen
pomander = reukbol
poniard = ponjaard
poppy sirup = papaversiroop
poppy = papaver, klaproos
porch = veranda
portative organ = buikorgel, portatief
portcullis = valhek
porter's lodge = poortkamer
posset = kandeel
postern = uitvalsdeurtje; uitvalspoort; pikkelpoort; klinkdeur; uitvalspoort
potboy = kroeghulpje; bierjongen
potman = tapper
pottle = pul (2¼ liter)
poultice = papje, kompres
poultice = kompres
precantor = voorzanger
press = kast; muurrek
prick out = verspenen
pricket = kaarsprikker
primrose = sleutelbloem
prioratus/priorissatus = priorij
privet = liguster
Privy Seal = geheimzegel
propitiatory office = zoenoffer; verzoeningsdienst
provost = provoost (Geoffrey Corviser van de stad; Ewald de wielensmid van de Voorstraat)
provost marshall = provoost-geweldiger
provost's prison = provoosthuis
psaltery = psalter, psalterion
pullet = jonge kip, kuiken
punch = drevel, pons, priem
pursuivant = (onderwapen)heraut; onderwapenheraut
putlog = korteling
pyx = hostiedoos; staalmuntendoos
quack = kwakzalver
quarrel = (korte, stompe) pijl (v.e. kruisboog)
quarryman = steenhouwer
quench a candle (to) = een kaars snuiten
quintain = steekspel
quiver = pijlkoker; een nestvol (kinderen)
ragwort = kruiskruid
raiment = plunje
raker = zie muck raker
rampart = borstwering, wal
ratsbane = rattenkruit
rebec = luit; rebab
reed = schalmei
reed dip = getrokken (vet)kaars
reeve = baljuw, stadhouder; drost
refectorium = eetzaal, refter, refectorium
refectory = refter
reliquary = relikwie(ën)schrijn
respons = (antwoord bij) beurtzang, keerzang, keerwoord
retainer = vazal; bediende; volgeling; getrouwe; bediende, vazal
Rhenish (wine) = Rijnse wijn; Rijnse wijn
rig = mastwerk, want, tuig(age), takelage
right of warren = jachtrecht
roan = vos (zie ook: bay)
robe = gewaad; bij Athelstan: habijt
Robert Pennant = prior
rogue = schelm, schavuit, kwant
rondel = rondeel (ook in bouwkunde)
rood loft = (d)oksaal
rood screen = koorhek; koorhek
rood (by the) = bij het Heilig Kruis
roost, to rule the = de staf zwaaien
rosemary = rozemarijn
rot of the feet = hoefziekte
rouncy = ros
rue = wijnruit
rule the roost = zie roost
rush-candle = bieskaars
rush-light: zie rush-candle
sack = sec (Spaanse wijn)
sacristan = koster; sacristein
saesneg (Welsh) = Engels
sage = salie
Saint Peter ad Vincula = Sint Petrus’ Banden
Saint John’s wort = sint janskruid
sallet = (salade)helm
salopian = inwoner van Shropshire
samite = sameet
sanctuary = priesterkoor; priesterkoor; asiel
sanctuary lamp = godslamp
sanicle = breukkruid, heelkruid, sanikel
sarcanet = (voering)zijde
sarsenet = zie sarcanet
Sassenach = Engelsman
saucer lamp = schotellamp, blaker
savo(u)ry = bonekruid
saxifraga = steenbreek
scald = schavuit
scapular = schapulier, schouderkleed
sconce = (arm)blaker
scour = diarree (van vee)
scrip = ransel
scriptorium = schrijfkamer
scrivener = schrijver
scrollwork = krulwerk
scruple = grein(tje)
scullery = bijkeuken; bijkeuken
scullion = koksmaatje
scutch grass = Cynodon dactylon, handjesgras
Secret Seal = Geheimzegel
secretarius = secretaris
Secretary of State = eerste minister
seld = overdekte markt
selfheal = heelkruid, brunel
selion = strook grond
senechal = seneschalk
senior clerk = opperklerk
serf = lijfeigene, lijflaat
sergeant = wachtmeester; sergeant
serjeant (-at-arms) = wachtmeester
servants’ ale = knechtenbier
servants’ loaf = knechtenbrood
setter = steenzetter
sexton = doodgraver
shaft = lamoenstok, disselboom, berrie, burrie
shale = schalie
shallows = slikken, zandbanken, wadden
shaving-horse = schaafbank
shawm = schalmei
shearer = (schape)scheerder
sheriff = schout (Gilbert Prescote, later Hugh Beringar); schout
sheriffry = schoutambacht
sheriff’s men = rakkers van de schout
shift = hemdjurk
shilling = schelling
shoal = ondiepte
shock = zie stook
shop = (timmer)winkel
shot = gelag
shot window = openslaand raam
shrine = (het) schrijn
shut = steegje, gang
shutter (to) = beluiken
simple = heelkruid, geneeskrachtige plant
singlestick = schermstok, batonneerstok
sir = heer; heer; Sir; Sir; Sir
Sisters of... = zusters van...
skinner = vilder
skull cap = schedelkapje
slattern = slons; slons
sliptile = engobe-tegel
slitted = van schietgaten voorzien
slung trumpet = beugeltrompet
small ale = dunnebier
smock = jak
snakeweed = adderwortel
snuffer = (kaarsen)domper, kaarsesnuiter
solar = bovenkamer; opkamer; zonnekamer
sorcerer = heksenmeester
sorrel vinegar = zuringazijn
sow = stormdak
sow-thistle = melkdistel
sown = zaaisel
specific = artsenij (specificum)
spiced ale = kruidenbier
spices = kruiderijen
spigot = spie
spill = fidibus
spinney = bosjes
squad = rot
squire = schildknaap
squireling = dorpsoudste
St. Peter’s fair = Sint-Pietersmarkt, abdijmarkt
stable-yard = stalerf
stag’s horn = hertshoorn
stall = koorstoel
stalwart = trouwe volgeling, trouwe aanhanger, getrouwe
stand = (bos)opstand
starling = beschoeiing
stave = vers; notenbalk
steed = (strijd)ros
stew = bordeel; visvijver
steward = beheerder; rentmeester; marktmeester; rentmeester; hofmeester
stiff leaf = idem (bouwstijl)
stock man = veeknecht, veehoeder, veedrijver
stock = naaf; schandblok; veem
stockade = palissade, omheining, verschansing
stone-mason = steenhouwer
stonecrop = muurpeper
stook = stuik (aantal bijeengebonden schoven)
stoup = stoop; stoop
strappado = wipgalg
stravage = zwalken, dwalen
strong-box = brandkist
stronghold = vesting
strumpet = lichtekooi
stubble = stoppelveld, -akker
sub-prior = onderprior
sulphur spill = zwavelstokje
superior = hoofd
surgeon = chirurgijn
sweat house = zweethuis
sweating sickness = zweetziekte
sweet cicely = roomse kervel
sweetbriar = zie sweetbrier
sweetbrier = egelantier
sword-belt = wapenriem
syrup = stroop, siroop
tabbard = wapenkleed
taffeta = tafzijde
tail-race = onderbeek
talaith (Welsh) = gouden diadeem
tallage = tol; (feodale) belasting
tallow candle = talkkaars
tankard = drinkkan, bierkroes; kroes, kan
tanner = (leer)looier
tansy = (boeren)wormkruid
taper = dunne kaars; waspit; lont; waspit
taproom = gelagkamer
tavern = taveerne; taveerne
taverner = waard
tenant = pachter
tenement = woning
tentergroud = drogerij; droogeet
tester = baldakijn, hemel
teulu (Welsh) = prinselijke lijfwacht
thicket = kreupelhout
thistledown = distelpluis
thoroughfare = hoofdstraat
thrapple: zie thropple
thropple = windbuil
thwart = doft, roeibank
thyme = tijm
tiler = pannendekker
tiller (of the soil) = akkerman, landman, landbouwer, boer
tilt(ing)yard = toernooiveld
tilth = tiendgewas
tinder = tondel, banst; houtmolm
tinker = ketellapper, blikslager; ketellapper; ketellapper
tippler = drankverkoper
tipstaff = bode
tirade = gefoeter; schimprede
tirewoman = kamenier
tisane = kruidenthee, aftreksel, tisane
tithe = tiendrecht; tiendland
tithes = tienden
toadflax = (muur)leeuwebek
toft = pachthoeve, hofstede; bedoening
torque = gedraaide metalen halsring
tracery = traceerwerk, maaswerk
transept chapel = zijkapel
transept = zijbeuk; dwarsbeuk
trapping = sjabrak; staatsietuig
Treasurer = schatkistbewaarder
trebuchet = katapult; blijde
tref (Welsh) = gehucht
trefoil = klaver; driepas
trencher = snijplank
trestle table = schraagtafel
trestle-board = schraagplank
tribunal = vierschaar, gerecht
triforium = triforium
troche, trochee = pil
troth = trouw
truckle bed = rolbed
trumpet = klaroen
truss-hoop = bodemhoepel
tumbler = kunstenmaker, acrobaat, duikelaar
tunic = tuniek
turret = belegeringstoren; spits
tweezer = veertangetje, pincet
twig broom = rijsbezem
twohanded sword = tweehandszwaard
uchelwr (Welsh) = heer
undercroft = krocht
underling = minderman
undershot wheel = onderslagrad
unguent = zalf, smeersel
upper voice = bovenstem; kopstem, falset
uprights (of a ladder) = ladderbomen
urchin = deugniet, kwajongen; egel
valet = lijfknecht
vallation = wal; borstwering; bolwerk
varlet = schurk
vassal lord = leenheer
vellum = velijn
venison = wildbraad; hertevlees
verger = koster
vessel = vat (persoon als instr. van eigenschap)
vestment = gewaad
vestry = sacristie
vetch = wikke
vicar = vicaris
victuals = mondkost, mondvoorraad
villein yardland = horigheid
villein = horige, lijfeigene
virelay = virelai (dichtvorm)
vittles: zie victuals
voussoir = gewelfsteen
wainscot = beschot
waiting woman = kamenier
wallet = ransel; beurs
ward = binnenplein; wijk
ward constable = wijkconstabel
warden = (kerk)voogd
Warden's Tower = Wachttoren
warlock = magiër; heksenmeester
warming-room = verwarmingskamer, conversatiekamer (calefactorium)
warrant = volmacht
wasteland = braakland
water betony = waterbetonie
water-lane = vaargeul; doorgang
water-meadow = drasland
watergate = waterpoort
waterman = schuitevoerder, jolleman, veerman; waterman
wayfarer = (voet)reiziger
weald = beboste streek
weather-wise = weervoorspeller, weerwikker
weir = waterkering
well-head = putrand
wench = deerne; lichtekooi
wet-nurse = min
wharfer = kadewerkers
wheelwright = wielensmid, wielenmaker, wagenmaker
wherry = jol
wherryman = jolleman
white monks = norbertijnen
white thorn = witte meidoorn
wicket = klinkdeur (klinket), schotdeur, pikkelpoort, loopdeur
wicket (gate) = pikkelpoort
willowherb = basterdwederik, wilgeroosje
wimple = (nonnen)kap; kap, hennin; kap
windbreak = windmantel (van bomen)
windflower = zie anemone
winter stock = stalvee
wintergreen = wintergroen
wise woman = vroedvrouw, vroede vrouw
witch hazel = toverhazelaar
wizard = wijze
woad = wede; wedeblauw
wolfsbane = wolfswortel, akoniet (= monnikskap)
wood-yard = houtwerf
wood-sage = valse salie
woodland = houtland
wool-clip = wol; wolopbrengst, woloogst
word or sign = taal (of) (noch) teken
wormwood = alsem
woundwort = wondklaver, wondkruid
writing-chamber = schrijfkamer
writing-office = schrijfkantoor
wych hazel = zie witch hazel
wyvern = tweepotige gevleugelde draak (heraldiek)
yardland = zes bunder, vier morgen
yarrow = duizendblad
yearling = jaarling (bijv. jaarling lam, jaarling bok)
yellow mild nettle = gele dovenetel
yeoman = vrijboer, eigenerfde; soldaat van de koninklijke garde
yew hedge = taxushaag
ynys (Welsh) = eiland
ystrad (Welsh) = dal